Afbeelding

ChristenUnie stelt vragen over mogelijke verplaatsing wijkcentrum Reyersdam

· leestijd 1 minuut Algemeen

In januari 2017 is in de commissie Ruimtelijke Ontwikkeling van de Gemeenteraad de informatienota ‘Ontwikkeling Hanzewijk Noord’ behandeld. In deze nota werd onder andere gesproken over een mogelijke verplaatsing van het wijkcentrum Reyersdam.

De Reyersdam is het wijkcentrum van Brunnepe en de Hanzewijk. Met name voor Brunnepe is dit een plaats waar men elkaar kan ontmoeten. Dagelijks vinden er diverse activiteiten plaats en is het een inlooppunt voor de Brunneper bevolking. Vandaar dat een eventuele verplaatsing voor de nodige onrust zorgde bij zowel bestuur van de Reyersdam, als bij de vele bezoekers.

Dit was voor de ChristenUnie fractie aanleiding om in gesprek te gaan met het bestuur van wijkcentrum Reyersdam. Om zo duidelijk te krijgen wat de voor- en nadelen zijn van een eventuele verplaatsing.

N.a.v. dit gesprek heeft de ChristenUnie de volgende vragen aan het college van B&W gesteld:

- Deelt het college onze mening dat dit wijkcentrum een belangrijke rol vervult voor de cohesie van de wijk Brunnepe?

- In de nota wordt gesproken van een enigszins gedateerd gebouw, is dat reden om een goed gebouw dat zijn waarde voor de wijk Brunnepe bewezen heeft, te gaan verplaatsen?

- De binnenkant van het gebouw wordt al onderhouden door de wijkvereniging. Is het een optie het gebouw in zijn geheel aan de wijkvereniging over te dragen?

- Is het college bereid om hierover met het bestuur van de wijkvereniging in gesprek te gaan?

- Kan de geplande woningbouw op de plek van het Reyersdam elders in het plan Hanzewijk Noord worden gerealiseerd?

ChristenUnie raadslid Erik van Raalte: ‘in het wijkcentrum Reyersdam komen wekelijks meer dan 500 bezoekers, het vervult een belangrijke functie in de onderlinge sociale samenhang van de bewoners van vooral Brunnepe. Bij verplaatsing van het gebouw loop je risico’s mbt een duurdere exploitatie, het aantrekkelijk blijven voor de bezoekers en het uiteenvallen van de vrijwilligersorganisatie. Kunnen en mogen we die risico’s nemen?’