Marius van Dokkum aan het werk in Harderwijk.
Marius van Dokkum aan het werk in Harderwijk. Foto: Ruben Schipper

Oud-Kamper kunstacademiestudent Van Dokkum heeft eigen museum

· leestijd 3 minuten Algemeen

(door Henk Jans)

KAMPEN - Velen zullen de schilderijen van Marius van Dokkum (1957) kennen van de ansichtkaarten waarop taferelen van vaak oudere mensen in grappige situaties. De kunstenaar bezocht als student de eerste lichting van de kunstacademie in Kampen, die zich in 1978 in deze stad vestigde.

In 2018 opende André van Duin zijn museum aan de Academiestraat 7 in Harderwijk, als het eerste geregistreerde museum in Nederland van een nog levende kunstenaar. Veel van Van Dokkums schilderijen bevatten milde maatschappijkritiek. Maar van cynisme is Marius wars. Hij wil het publiek een (lach)spiegel voorhouden.

De in Andijk (West-Friesland) geboren Van Dokkum kan niet zeggen dat hij uit een uitgesproken kunstenaarsnest komt. “Ik was wat dat betreft een beetje een vreemde eend in de bijt”, vertelt hij. “Al was er van mijn vaders kant wel aanleg tot tekenen. Dus zal ik het van die zijde geërfd hebben”. Tekenen was wat Marius van jongs af aan het liefste deed. Aanvankelijk wist hij niet zeker of hij wel naar de kunstacademie wilde. Maar toen hij na de HAVO in de polder op het land werkte vond hij dat hij een keuze moest maken. Hij meldde zich aan bij de kunstacademie in Kampen en werd daar aangenomen voor de studie Illustratie, die toen nog vijf jaar duurde.

Volgende week deel 2 van dit verhaal

In het boek ‘Blauw Haar’ (Herman Broers) wordt beschreven hoe het grote aantal studenten van de verschillende academies die zich in Kampen vestigden, door hun kleding en levensstijl voor een cultuurschok zorgden bij het calvinistische deel van de bevolking destijds. Maar rond 1980 merkte Van Dokkum daar zelf niet veel van. “Ik kwam uit een gereformeerd gezin. Uitgaan deed ik niet en ik bemoeide me niet zoveel met de Kamper bevolking. In onze vrije tijd bezochten wij elkaar thuis. Nee, ik was best een degelijke jongen”, glimlacht hij. “Ik kan me niet herinneren dat iemand bijvoorbeeld een rare kleur haar had. Misschien deed dat een enkeling en kwam het later in de jaren tachtig meer voor, toen ik de opleiding al verlaten had”. Marius toont een groepsfoto waarop een tachtigtal studenten staan van zijn lichting in 1978. Inderdaad, deze laat allemaal best wel degelijke koppies zien. “Het was een Christelijke academie en ik vond het fijn dat een aantal klasgenoten uit dezelfde geloofsrichting kwam als ik, waardoor ik connectie voelde”, legt Marius uit, “al gold dat niet voor iedereen. Soms had je met andersdenkenden lastige gesprekken, als men merkte dat ik van gereformeerde afkomst was. Dan vond men dat je het één en ander uit moest leggen. Dat was wel even wennen voor een jochie dat maar net uit de bubbel van zijn toch wat besloten dorp kwam. Eigenlijk leefde ik in twee werelden. Door de week was ik in Kampen. Maar in de weekenden was ik met mijn vrienden in Andijk, waar wij wel eens op stap gingen”.

Marius vertelt dat hij een harde werker was en zeer gemotiveerd. Hij koos in het tweede jaar voor de studie ‘Publiciteit en Illustratie’, omdat de docenten hem afraadden te gaan schilderen. Ze vonden hem meer een illustrator. De docent Jaap Nieuwenhuis die goed model kon tekenen heeft in tekentechnisch opzicht veel voor hem betekend. “Dat was een vakman die anatomische aanwijzingen gaf en mij bijvoorbeeld veel bijbracht over de juiste verhoudingen. Ik heb dan ook behoorlijk veel model getekend, want als illustrator moet je toch ook goed mensen kunnen tekenen. Er waren wat studenten die vanuit hun geloofsopvattingen bezwaar maakten tegen het naaktmodel tekenen”, herinnert Marius zich. “Ikzelf had dat niet, al sta je in het begin wel een beetje gek te kijken en voel je je een soort gluurder bij zo’n mooie naakte vrouw”, glimlacht hij. “Dat was dus even wennen, maar op een gegeven moment ben je gewoon lekker aan het tekenen”.

In de jaren tachtig woei er zogezegd een behoorlijk ‘abstracte wind’ door de opleiding. Er rustte een soort taboe op figuratief werken, dat eigenlijk niet als kunst werd gezien. “Zeker niet door de studenten van de ‘vrije richting’, weet Van Dokkum. “Ik had het gevoel dat wij illustratoren door hen als een soort ‘tweederangs’ werden gezien, die niet echt meetelden en waarop wat werd neergekeken. Wij kregen onder anderen van de docenten Marc de Klijn, Jacques Snijder en Guido Lippens toch ook wel eens les in die discipline”.

Hij voelde zich gedurende de studiejaren steeds meer aangetrokken tot het schilderen. Van medestudenten zag hij mooie schilderijen en dat inspireerde hem. “Ik merkte dat ik dat eigenlijk het liefste wilde. Illustratie is wel leuk, maar voor mij was het toch te beperkt”, verklaart Marius. “Toen ik in 1983 de academie verliet ben ik mij daarom daar meer op gaan toeleggen. Met vallen en opstaan leer je dat. Wat schilderen betreft voel ik mij een autodidact. Ik liet mij inspireren door te kijken naar andere kunstenaars en leerde veel van collega’s. Langzaam ontwikkelde ik mijn eigen stijl, waarbij humor vanaf het begin al een factor is geweest”.

Op de website www.mariusvandokkummuseum.nl zijn veel schilderijen van zijn hand te zien. In de volgende editie van De Brug lees je in deel II van het interview met Marius van Dokkum hoe hij zich ontwikkelt na het verlaten van de kunstacademie in Kampen.

Stuur jouw foto
Mail de redactie
Meld een correctie

Abonneer gratis

op de digitale krant en op
de wekelijkse nieuwsbrief.