
Nog even dit... Het Taveerne-meisje
· leestijd 2 minuten AlgemeenAan het eind van de donderdagmiddag komen de vrijwilligers van de Stichting Kamper Kogge bijeen in de Taveerne op de Kogge-Botterwerf aan de Buitenhaven, om op die verheven plek met een verbindend glas alvast de week af te sluiten. Ook ik kom daar dan vaak gezellig een graantje meepikken.
Het was, lang geleden, op zo’n afsluitmiddag in juni met een meewerkend zomerzonnetje dat een jonge vrouw, navenant gekleed, wees op de lege stoel naast me en vroeg: ‘Is die vrij?’ Ik antwoordde toeschietelijk want behalve een mooie verschijning keek ze me aan op de manier die een man ogenblikkelijk zijn witte paard doet zadelen. Daar mee bezig vroeg ik stuntelig : ‘U woont hier ook Kampen?’ ‘Ja, ik ben hier zelfs geboren,’ antwoordde ze met een betoverende glimlach.
‘Mijn grootouders hadden hier een winkeltje in kleding. Aan de Oudestraat. Misschien heeft u ze wel gekend. Van Schellen heetten ze. Maar da’s al lang geleden, hoor.’ Terwijl ik in de kaartenbak van mijn herinnering snel de Van Schellens doorzocht, trad de vrijwilliger met bardienst in de groep naar voren en riep met de stem van een stadsomroeper: ’Wie een bal gehakt? Ze zijn zo klaar. Lekker warm uit de jus.’ Er werd ruim op het aandeel geboden want behalve smakelijk is deze hartige hap ook goed verteerbaar in prijs.
Een al grijzende vrijwilliger, barok gekleed, de voeten met witte sokjes luchtig gestoken in open abdij-sandalen, meegegroeid vilthoedje op, bestelde er dadelijk twee. Zijn overbieding functioneel verklarend: ‘Ik zie mien nog niet zo rap op ‘uus angoan. Dan ‘ek alvast maar ‘egeetn.’
‘Maar wie was Van Schellen ook al weer?’ Het hamerde door mijn hoofd. Eerst op de foto die het meisje me op haar mobieltje toonde wist ik het weer. Natuurlijk, die kleine, tengere persoon met zijn golvende kuif boven dat scherp getekende gezicht. De vrome winkelier destijds aan de overkant van het Kamper Nieuwsblad. De plaatselijke krant waar ik als jong verslaggevertje met de vermaarde H(enk) van Heerde als chef, mijn krantenloopbaan begon.
Van Schellen dreef een schuchter winkeltje in kleding,- en stoffen, voornamelijk bezocht door plattelandsvrouwen met afkeer van opsmuk. Vanaf mijn werkplek, één hoog naast het raam op de redactie, had ik ruim zicht op de woonkamer met ontsluierde ramen recht tegenover me boven het winkeltje. Vrouw Van Schellen daar op de tast druk in de weer met het huishouden. Haar blinde ogen verscholen achter een donkere bril. Zo leerde ik haar gedurende lange tijd vanaf mijn werkplek kennen.
Nu zat haar kleindochter naast me en evenals toen weerhield iets me er van naar de oorzaak van haar grootmoeders handicap te informeren. Ook de vrolijke drukte in de Taveerne droeg niet tot een zodanig intiem gesprek bij. Zo legde ik het meisje evenmin uit dat haar grootvader eens een spannende rol in mijn leven had gespeeld, bijna ten koste van mijn voortgang bij de krant.
Dat zit zo. Kranten zijn voor hun nieuws gebonden aan de wet van een ‘deadline.’ Het uiterste tijdstip waarop de kopij voor de drukpers moet worden ingeleverd. Het is onder die zware tijdsdruk dat artikelen bestemd voor de krant van maandag al op zondag worden geschreven. Maar voor Van Schellen, gehecht aan zijn geloof en zijn gelijkgestemde klanten, gold evenwel maar één wet: die van de zondagsheiliging. Die overtrad ik volgens de winkelier lasterend, nadat hij me vanuit zijn pand op zondag achter het raam op de redactie had zien tikken. Ontheiliging te vuur en te zwaard bestrijdend lichtte hij ogenblikkelijk mijn chef in. Dreigend zijn abonnement op de krant op te zeggen mocht het weer gebeuren.
Mijn chef, zelf vroom, hield me er schijnbaar ernstig over aan. Verder zag hij het gebeuren als niet waarlijk hemeltergend door de vingers. Ongetwijfeld in devoot overleg met het altijd vergevingsgezinde gezag van ‘Ons Lief Heertje’. Ontslag op religieuze grondslag bleef me zo bespaard. Het onderonsje in De Taveerne vond ook toen al rond etenstijd zijn besluit. Het meisje naast me zei: ‘Ik neem nog een drankje.’ De man met de sokjes riep: ’Gezellig.’
Henk de Koning




























