
Nog even dit... ‘Konjakkien’
· leestijd 2 minuten AlgemeenHield je in de jaren zestig-zeventig van de vorige eeuw van Vieux cognac, dan moest je op de Grafhorster Biestemarkt zijn. Het kleine boerendorp gelegen aan de boorden van het Ganzendiep, een voorname zijarm van de IJssel bij Kampen. Met bijna zuidelijk temperament barste het dorp op die dag feestelijk los.
Het door de dorpsbewoners met familie, vrienden en kennissen die dag in huislijke kring gezamenlijk nuttigen van de laatste gestoofde paling van dat jaar maakte tevens deel uit van dat karakteristieke jaarlijkse dorpsritueel. Evenals het daarvan uitgebreid verslag doen door de plaatselijke krant, het Kamper Nieuwsblad. Chef-redacteur Henk van Heerde reisde samen met zijn leerling verslaggever (mijn persoon) dan al vroeg af naar het ontspannende dorp.
Per bromfiets. Een voor snelheid in berichtgeving door de uitgeverij beschikbaar gestelde ‘Kaptein Mobylette’. Van Heerde, gewichtig van zowel aanzien als postuur, onwennig sturend voorop, mijn persoon met angstzweet achterop. Bereid zware offers te brengen voor een lokkende carrière in de journalistiek. Op te zachte banden – mogelijk teveel overwicht – zwalkend de straat uitrijdend. Zorgelijk uitgeleide door de dames van de advertentieafdeling. Ons op de stoep voor het pand moederlijk naroepend toch vooral voorzichtig te doen.
Ons veilig arriveren in Grafhorst viel kennelijk ook buiten verwachting van de dorpsbewoners daar wij bij het afstappen door omstanders als helden met gejuich werden begroet. De kleine veemarkt – voor de naamgeving alleen al ingericht met enkele stuks serieus aangevoerd melkvee - speelde zich uitsluitend af in de Voorstraat. Bestrooid met zaagsel tegen in grote regelmaat spetterende koeienvlaaien.
De markt steeds weer een gezellig mix van uitgaanspubliek, geloei van onrustig aan touwen staand melkvee, bloot handengeklap van biedende handelaren en de schelle roep van marktkooplui achter hun vele soorten kraampjes. Veehandelaren in stofjas zo nu en dan uit de rijen voorbijgangers tredend om met een toch alreeds wat kouwelijke hand keurend in de uier van een nietsvermoedende ‘Gerda Dertien’ te knijpen.’ Waarop het dier, loeiend van schrik, als door een stroomstoot getroffen, in een woeste sprong naar voren schoot.
Dorpscafé Last halverwege de Voorstraat vormde het epicentrum van de bedrijvige Grafhorster Biestemarkt. In een bedompte ruimte bij schaars licht, groepten de boeren en veehandelaren daar later die dag in een opgewonden nazit bijeen. Geschaard aan lange, stootvaste houten tafels. Handel en feestelijke ontspanning stevig afblussend met een Vieux cognacje, de huisdrank van die dag.
De schonkige tafels nat bespat met Vieux uit onvast geheven glaasjes. Vanuit een hoek in het schemerdonker van het café klinkt ‘live’ muziek. Voortgebracht door een oudere, vaak zuchtende, door luidruchtig vertier overstemde muzikant. Onwezenlijk tokkelend op een hagelwitte.gitaar wat hem tegen zijn grauwe verschijning de potsierlijke aanblik biedt van een lelijke eend die halverwege het sprookje maar geen zwaan wil worden.
Dan zwaait de cafédeur open en treedt in een tochtvlaag vol geluid en geur van mens en dier de fameuze Kamper wijnfabrikant Jan Willem Siebrand binnen. Café Last in de Voorstraat was ooit zijn ouderlijk huis. Jan Willem is er ook geboren. Van zijn karig fabrieksloon kocht hij, jeugdig ondernemend, een vaatje portwijn uit een bij Terschelling gezonken vrachtvaarder om er vervolgens met groot zakelijk inzicht een miljoenenbedrijf in dranken mee te grondvesten.
Ook zelf zich over die wonderlijke prestatie nog altijd verbazend raakt hij er ook dit keer niet over uitgepraat. ‘Allemoale nog een konjakkien van mien.’ buldert regelmatig zijn zware stem door het stampvolle café als de aandacht van de boeren – Jan Willems successtory al zo vaak aangehoord hebbend dat ze het als een gedicht kunnen opzeggen - even verslapt. In handen van de toegesnelde serveerster doet de Vieuxfles ogenblikkelijk weer een vrije rondedans boven de armada van boeren glaasjes. De boeren proosten en luisteren weer. Ik leer er mijn eerste cognacje drinken.
Meer slingerend dan op de heenweg keren we later die middag op de ‘Kapitein Mobylette’ naar de krant terug. ‘Mooi vak de journalistiek.’ roept Van Heerde, onder onvast sturen gewaagd naar mij achterom kijkend. Ik knik wazig en denk: ’Gevaarlijk ook.’
Henk de Koning























