
Kamper kunstenaars kleuren kunststreken: vijf vragen aan Paulien van Asperen
· leestijd 2 minuten AlgemeenREGIO – Een tiental kunstenaars uit Kampen, onder wie mixed-media-maker Joke Beens, Arne Heldoorn en Paulien van Asperen vertegenwoordigen Kampen op het kunst- en cultuurfestival Kunststreken 2025, dat op 15 en 16 augustus de oranjerie van Landgoed IJsselvliedt in Wezep omtovert tot een creatieve ontmoetingsplek. In De Brug belichten we in aanloop telkens een Kamper deelnemer. Deze week in deze rubriek vijf vragen aan: Paulien van Asperen.
1. Een kunstenaar die werkt op weefgetouwen zie je niet elke dag. Wat heeft je ertoe aangezet op deze manier te werken?
Weven is voor mij een manier om orde en chaos met elkaar te verbinden. Het is een ambacht dat geduld vraagt, maar ook ruimte biedt voor intuïtie en experiment. Ik ontdekte het weven bij mijn schoonmoeder, erfde al haar getouwen, garens en boeken, volgde een introductiecursus en was meteen gegrepen. De combinatie van techniek, tactiliteit en beeldende kracht past bij mij en daagt me uit. Het weefgetouw is als een architectonisch instrument: het dwingt je tot precisie, en heeft beperkte mogelijkheden. In een tijd waarin veel digitaal gebeurt, spreekt het fysieke proces van weven me enorm aan.
2. Je noemt ‘Hoop’ en stedelijke architectuur allebei vormen van creatie; hoe verweef je die twee begrippen letterlijk in de draden van een dubbelweefsel?
Hoop is voor mij onlosmakelijk verbonden met het scheppen van iets nieuws. In de stad zie ik dat terug in hoe mensen bouwen, aanpassen, vernieuwen. Elk gebouw is een uitdrukking van een verlangen naar toekomst. Dubbelweven is een techniek waarbij twee lagen stof tegelijkertijd geweven worden, lagen die elkaar kunnen kruisen, verbinden of juist gescheiden blijven. Dat biedt een prachtige metafoor voor stedelijke architectuur: lagen van geschiedenis, functies, mensen en ideeën die samen een stad vormen. In mijn dubbelweefsel gebruik ik lagen en structuren die doen denken aan plattegronden, gevels en stedelijke patronen, als een soort tastbare hoop.
3. Wat trekt je zo aan in het werken op een weefgetouw?
Het ritme, het herhalen van bewegingen, het langzaam zien ontstaan van een beeld – het is bijna meditatief. Maar ook de uitdaging: je moet vooruitdenken, plannen, structureren. Van tevoren precies uitrekenen hoeveel schering- en inslagdraden je nodig hebt, in welke dikte en in welke kleur. Elke draad teken ik in een weefprogramma. Tegelijkertijd is er ruimte voor improvisatie. Het is een dans tussen controle en loslaten. En het mooiste is: je werkt met garen, iets zachts en kwetsbaars, en maakt daar iets stevigs en blijvends van.
4. Op welke manier komt het thema ‘Zoom in op de stad, in de lente’ terug in je werk?
De lente staat voor mij symbool voor vernieuwing, voor het moment waarop iets ouds weer tot leven komt. In de stad zie je dat in kleine details: een gevel die oplicht in de zon, een bloem die bloeit tussen beton. In dit werk zoom ik in op die momenten. Ik gebruik kleurvlakken en lijnen die doen denken aan gebouwen, maar ook aan bloesem, lichtval, groei. Het is een ode aan de stad als levend organisme.
5. Wat wil je dat kijkers uit je werk halen?
Ik hoop dat mensen even stil blijven staan. Dat ze de gelaagdheid zien – niet alleen in het weefsel, maar ook in hun eigen omgeving. Dat ze zich verwonderen over wat ze zien. Een patroon? Een plattegrond? Een landschap? En dat ze zich realiseren dat hoop niet iets abstracts is, maar iets dat je kunt maken — draad voor draad. Mijn werk nodigt uit tot reflectie, tot verwondering, en hopelijk ook tot inspiratie om zelf te creëren.

























