
5 vragen aan: Finn Berends negentien jaar oud en nu al publicerend historicus
· leestijd 3 minuten AlgemeenNegentien jaar oud en nu al diepgravend archiefonderzoeker, publicerend historicus én lid van de Erfgoedraad. reveals Het zijn wapenfeiten die je niet vaak samen ziet bij iemand die nog maar net aan het begin van zijn academische loopbaan staat. Toch is het precies dat wat Finn Berends typeert: een jonge Kampenaar met een opvallend volwassen blik op geschiedenis en erfgoed.
Zijn fascinatie voor het verleden ontstond al vroeg. Als kind liep hij talloze keren met zijn vader door het stedelijk museum, waar oude kaarten, objecten en verhalen langzaam maar zeker hun uitwerking deden. Wat begon als verwondering groeide uit tot betrokkenheid, en uiteindelijk tot actie. Als vrijwilliger bij het Stadsarchief Kampen dook Finn steeds dieper de bronnen in en leerde hij het lokale erfgoed van binnenuit kennen.
Die nieuwsgierigheid mondde uit in een omvangrijk historisch onderzoek naar de Kamper Stadsbrug. Wat in de zomer van 2023 begon als een bescheiden verkenning, groeide uit tot een bronkritische reconstructie van de eerste anderhalve eeuw van de bruggeschiedenis. Zijn artikel, waarin hij de periode 1440–1600 analyseert, verscheen onlangs in het Historisch Tijdschrift van de Historische Vereniging Jan van Arkel en werd op 11 december gepresenteerd in De Stadskazerne.
Met zijn frisse blik en interesse in zowel geschiedenis als politiek wil Finn ook buiten de archieven verschil maken. Als lid van de Erfgoedraad zet hij zich in om de afstand tussen erfgoed en gemeentepolitiek te verkleinen. Tijd voor vijf vragen aan een jonge historicus met een opvallend volwassen missie.
1 Je bent pas negentien en nu al zo intensief bezig met geschiedenis en erfgoed. Weet je nog wanneer je voor het eerst voelde: dit is meer dan een hobby, hier wil ik echt iets mee?
Ik denk dat ik nooit actief die keuze heb gemaakt. Toen ik als vijftienjarige begon als vrijwilliger bij het Stadsarchief, was dat puur uit interesse in de geschiedenis. Als je mij toen had verteld dat ik over een paar jaar in de krant zou staan om over mijn gepubliceerde artikel te praten, had ik je waarschijnlijk met verschrikte hertenogen aangekeken. Ik ben er echt een beetje ingerold en ik heb de mogelijkheden benut wanneer ik die tegenkwam. Hierbij moet ik wel zeggen dat ik bij elke stap geholpen ben door andere mensen, van het stadsarchief tot de gemeenteraad. Zonder hen zou ik nooit tot dit punt zijn gekomen.
2. Voor jouw onderzoek naar de Kamper Stadsbrug heb je zo’n beetje het halve archief overhoopgehaald. Wat was het meest bijzondere of verrassende dat je tijdens dat speurwerk hebt ontdekt?
Premoderne geschiedenis is vaak heel afstandelijk en onpersoonlijk. Zeker als je het over de middeleeuwen hebt is het vaak al heel wat als je de geboorte en sterfjaar van iemand weet, laat staan de ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’. Deze afstandelijkheid zie je ook terug in de bronnen die er zijn over de brug. In 1577 wordt er in een rekening echter gesproken over ene ‘Roloff’. Hij breekt tijdens het werk op de stadsbrug zijn been en krijgt daarvoor zijn loon als smartengeld uitgekeerd. Deze gebeurtenis geeft meteen een veel persoonlijkere inkijk in de 16e eeuw. Niet alleen omdat dit een van de weinige persoonlijke verhalen in mijn onderzoek is, maar ook omdat ik zeker weet dat mij dit ook zou zijn overkomen als ik een 16e -eeuwse timmerman zou zijn geweest.
3 In je artikel leg je veel nadruk op bronkritiek en voorzichtig omgaan met kaarten en kronieken. Vanwaar de focus op deze prudentie?
Dit doe ik omdat ik denk dat je zonder prudentie geen steekhoudend stuk kunt schrijven. De geschiedenis is erg wispelturig en vaak genoeg zijn er te weinig bronnen overgeleverd om een verhaal volledig te maken. Dat is natuurlijk niet leuk, maar wel de realiteit. Veel vroege publicaties over de geschiedenis van de stadsbrug proberen naar mijn mening zo veel mogelijk vraagtekens te voorkomen. In mijn onderzoek wil ik juist deze onzekerheden benadrukken, omdat die er nou eenmaal bijhoren.
4 De Stadsbrug blijkt in jouw onderzoek geen vaststaand bouwwerk, maar een constructie die voortdurend werd aangepast aan natuurkrachten, geld en bestuur. Zie je daarin ook parallellen met hoe we vandaag met erfgoed omgaan en zijn hier lessen uit te trekken?
Ik denk dat veel mensen erfgoedbescherming zien als iets heel simpels: een oud gebouw omgeven door een hoop rode tape met daarop geschreven: “niet aankomen.” Dit is echter niet waar. Vaak moet je juist iets doen aan deze gebouwen om ze te kunnen bewaren. Denk bijvoorbeeld aan een restauratie waarbij gedeeltes moeten worden vervangen of gerepareerd. Of het verduurzamen van een monumentaal pand. Juist deze zorgvuldige veranderingen dragen bij aan het behouden van erfgoed. Bij mijn onderzoek is dit goed te zien: om de haverklap werd er iets aangepast aan die brug en juist daardoor hebben ijs en hoogwater nooit definitief vat gekregen op het bouwwerk.
5. Je combineert een passie voor geschiedenis met interesse in politiek en zit nu in de Erfgoedraad. Wat hoop je dat jouw jonge blik kan veranderen in hoe er in Kampen over erfgoed wordt gedacht en besloten?
Ik denk dat het altijd nuttig is dat er mensen zijn die met een frisse blik naar een probleem kijken. Je kan als het ware makkelijker ‘out of the box’ denken als je nog niet in de ‘box’ zit. Hiernaast hoop ik dat mensen na het lezen van deze rubriek beseffen dat geschiedenis en erfgoed niet enkel iets is voor ‘oude mensen’, maar dat het juist een erg dynamisch en zeer veelzijdig en hierom interessant onderwerp is.




























