
Kantonnier Jan Boom was getuige eerste oorlogsdag 40-45 in Kampen: een ooggetuigenverslag
· leestijd 4 minuten Algemeen(door Henk de Koning)
KAMPEN - Voormalig gemeente medewerker Dik van Dijk speelde mij, naar goeddunken te gebruiken, het lang in een kast bewaard gebleven, met de hand geschreven unieke oorlogsverslag toe van zijn ver familielid: Jan Boom.
Deze was in mei 1940 in Kampen getuige van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De verbijstering over die gewelddadige overval, maar ook hoe Kampen daarna de bezetting op zijn eigen manier onderging, stelde hij gedetailleerd vast op schrift. Een uniek ooggetuige verslag dat eerst lang na zijn overlijden, in 1999 op 84-jarige leeftijd, bij familie plots weer opdook.
Jan Boom is op 10 mei 1940 bij het uitbreken van de oorlog in ons land vanuit Kampen op weg naar zijn werk in de pas drooggelegde Noordoostpolder. Dan nog als los grondwerker. Schrijft over die bewogen dag: ‘Al vroeg in de ochtend bemerkte ik tot mijn verbazing de lucht boven Kampen vol geraas van vliegtuigen. Bij het lichter worden van de nieuwe dag zag je op elk vliegtuig een zwart kruis getekend dat we kenden van de Duitsers onder Hitler.
Hoewel heel die zwerm overtrok naar doelen verderop, scheelde het maar weinig of ik werd die dag op weg naar m’n werk meteen al door een Duitse bom getroffen. Want op geringe hoogte begon een van die Duitse toestellen met sputterende motor rondjes te draaien. Zo te zien op zoek naar een geschikte plek om een noodlanding te maken. Alvast uit voorzorg een bom los latend.
Die kwam met gierend geluid op me af. In paniek smeet ik m’n fiets aan de kant en liet me plat op de grond vallen. Wat volgde was een enorme klap. Alles aan mijn lichaam beefde en trilde. Opkijkend zag ik van dichtbij een enorme vuurzuil die was ontstaan. Ik sprong op en rende zo hard ik kon de andere kant op en klom aan boord van een zandzuiger dicht in de buurt. Vanaf dek met een verrekijker zag ik dat die bom een flink gat had geslagen niet ver van de plek waar ik kort daarvoor nog bijtijds van mijn fiets was gesprongen.
Jan schrijft dat een Kamper agent van politie bij het gat de wacht betrekt. ‘Wat zoekt u hier?. vroeg die streng toen hij Jan in zijn buurt verdacht zag rondscharrelen. ‘M’n fiets want die heb ik hier neergegooid toen die bom viel,’ antwoorde Jan naar waarheid. Noteert: ‘Eerst nadat die agent van zijn verbijstering was bekomen, vol ongeloof roepend: ‘Man, dat je nog leeft?.’ zijn we samen de fiets gaan zoeken. Die vonden we uiteindelijk een eind verderop aan stukken. Dat ik die klap overleefde mag inderdaad een wonder heten. Vermoedelijk, zo hoorde ik later, ging het om een kettingbom die bij de inslag maar half tot ontploffing is gekomen.’
Het ter verdediging van de stad op militair gezag opblazen van de fraaie, in 1872 gebouwde Kamper Stadsbrug, gebeurde op 10 mei 1940. Ter plekke uitgevoerd door sergeant Pieter Snijder en majoor Rinke van der Zee. Jan Boom over dat onzalige moment: ‘Precies om 6.44 uur in de ochtend ging de klap van de brug de lucht in. Rond 9.30 uur het brugdeel aan de stadskant. Al dat plotselinge geweld, de vreemde vijandige vliegtuigen boven de stad en de explosies van de stadsbrug bracht ons bewoners, gewend aan een vredig plattelandsleven, danig van streek. Een Kampereilandboer die ik tegen kwam schudde overstuur zijn hoofd. Klagend zijn melk niet meer kwijt te kunnen nu hij de brug niet meer over kon.’
Iedere avond in oorlogstijd, steeds op hetzelfde tijdstip, klonk het nijdig gezoem van een Duitse nachtjager boven Kampen. Controlerend of de stad op bevel van de Wehrmacht wel afdoende was verduisterd. Zo niet werd er geschoten. Immers, elk lichtpuntje aan de grond, zo redeneerde de bezetter, vormde voor de geallieerde bommenwerpers op weg naar nazi-Duitsland een baken dat ze in het nachtelijk duister nog in de juiste richting vlogen. De Duitse jager die iedere avond controlerend over Kampen snorde stond al snel bekend als: ’De Nachtzuster.’ Het luchtruim bij Kampen vormde de aanvliegroute van de geallieerde bommenwerpers vanuit Engeland naar Duitsland en terug. Jan Boom in zijn notities daar over: ’Later bij helder weer trokken de vele bommenwerpers witte condens-strepen boven Kampen. Op een dag telde ik er maar liefst 700. Onmogelijk ze afzonderlijk op de heen- en terugweg te tellen. Want de eerste bommenwerpers kwamen al weer terug van een aanval op Duitsland als de laatste er nog naar toe op weg waren.’
‘Angst en spanning in de oorlog zorgde soms ook voor humoristische momenten. Jan Boom over zo’n incident: ‘Op een keer toen ik wegens werkweigering bij de Ortscommandant aan de IJsselkade moest verschijnen, stond daar ook de bekende Kamper Willem Duiveman. Klagend dat zijn fiets was gestolen’ ‘Ha ha.’ lachte de Ortscommandant niet in het minst onder de indruk: ’Nur dein Fahrrad?. Duiverman reageerde woedend: ‘Niet allenig ‘et veurrad. De ‘ele fietse.’ Nog lang, tot ver na de oorlog, deed die praktische oorlogsgrap in Kampen nog de ronde.
Wanneer in 1944 in de grote steden, vanwege de strenge oorlogsrantsoenen, de honger in alle hevigheid toeslaat, werkt Jan Boom bij boeren in de omtrek op het land. Daarover schrijft hij: ’Bij de boer waar ik werkte werd op dat moment volop graan gedorst. In de zomer gemaaid en in schoven gezet. De uitgehongerde en uitgeputte ‘etenhalers’ uit het westen stonden in de rij bij de dorskasten. Een zak ophoudend om wat gedorst graan op te vangen’. Onze machinist die het zag liet ze begaan. Begrip hebbend voor de nood waarin die uitgehongerde landgenoten verkeerden. Zo kwam het regelmatig voor dat we aan het eind van zo’n dag van enkele honderden mud gedorste tarwe nog maar twintig mud op de wagen konden laden. Een bewijs dat in de oorlog onder zeer barre omstandigheden wel degelijk ook voor elkaar werd gezorgd.’
Met het eind van de oorlog in zicht werd de inmiddels herstelde Kamper IJsselbrug opnieuw opgeblazen. Nu volledig door de vluchtende, verslagen Duitse troepen. Jan Boom daar over in zijn aantekeningen: ’De luchtdruk van die klap was zo enorm dat alle ruiten van de bebouwing tot ver in de Kamper binnenstad sneuvelden. Met mijn gezin woonde ik op nauwelijks achthonderd meter afstand van de stadsbrug. Door de luchtdruk van de explosie trilde en schudde alles in huis. De lamp aan het plafond in de woonkamer slingerde als een beierende klok heen en weer. Meteen ook stonden alle kamers vol stof. Hoewel flink geschrokken en ondanks de ravage die de klap veroorzaakte reageerden we toch opgetogen. De oorlog was voorbij.’
Henk de Koning





























