Broer en zus van Truus van Dijk.
Broer en zus van Truus van Dijk. Aangeleverd

De Kampenaren: van de Stadsboerendochters

· leestijd 2 minuten Algemeen

Stadsgidsen Gerrit Eijlander en Harry van Dijk vertellen de bezoekers van Kampen de bonte verhalen van de stad. In deze rubriek laten zij de geschiedenis spreken en vragen ook uw medewerking. Veel Kampenaren kennen deze geschiedenis nog zelf, dus tijd om ze op te halen. Wilt u uw verhaal kwijt over bijvoorbeeld de sigarenindustrie, Kanis & Gunnink, de riviervisserij, de oorlog, mail uw idee dan naar dekampenarenvan@gmail.com Bel 06-12128847 of bezoek ons op Facebook : ‘de Kampenaren van’

Tijdens onze interviews met de stadsboeren blijken nog aardig wat Kampenaren de verhalen uit eigen hand of uit de familiegeschiedenis te kunnen vertellen. Ditmaal kleindochter Reiny van de familie van der Kolk en dochter Truus van het boerengezin van Dijk.

Bij van der Kolk is een achteringang geen probleem
In de kleine stadsboerderij, aan het eind van de Buiten Nieuwstraat (nummer 136) vlakbij de Burgwal, hield Reiny’s opa van der Kolk acht koeien. Omdat de stal achter het huis stond en er geen achteringang was ging alles door de voordeur: koeien, jongvee, mest, melkbussen, kruiwagens, enzovoort. Geslapen werd er in de bedsteden, in de woonkamer aan de straatkant. Achter de plaats stond een schuurtje waar het jongvee en de wc stonden. Als de kalveren naar de weide waren, werd daar geleefd. In het voorjaar reden de kruiwagens met mest door de voordeur naar de Burgel, om via een loopplank gestort te worden in het schip van de mestschipper.

Melk op een plankje, hooi op zolder, paard in pakhuis, netten in teer
Als er in de wei gemolken was ging de melkbus mee op een plankje op de stang van de fiets. In de zomer werden de bussen in een waterbak gezet en bleef de melk koel tot ze, op zijn dagelijkse ronde, door de melkrijder werd opgehaald. Het hooi ging naar de zolder zoals op de foto is te zien. Om daar smeulen en eventueel brand te voorkomen was er zo voldoende ventilatie door de kieren tussen de dakpannen en je kon er zo naar buiten kijken. Aan de overkant in een pakhuis, was de paardenstal en werd de wagen gestald. In Reiny’s herinneringen komt steevast de teerlucht van opa’s visnetten op zolder. Want om nog wat bij te verdienen en in eigen onderhoud te voorzien, was hij ook visser.


De Vloeddijk: een vreemde mengeling van dominees, dokters en stadsboeren
Truus van Dijk wordt in 1934 op Vloeddijk 36, in een gezin van 4 dochters en 1 zoon, geboren. Dat betekende, net als voor de dochters van de buren-boeren De Leeuw, Boer en Schilder, helpen met melken van de 13 koeien en hooien. Terwijl moeder nog in klederdracht liep, brachten zij in de ‘dagelijkse plunje’, in een karretje elke dag de 3 melkbussen naar melkfabriek van Heel.

Maar ook hier was wonen Spartaans: aan de voorkant, in de ‘mooie kamer’, sliepen vader en moeder in hun bedsteden. Met haar 3 zussen sliep Truus op de eerste verdieping en broer in het hooi op zolder.

Tel je rijk: een achteringang!
De familie had op verschillende plaatsen land: achter Zuid, bij de Slaper en ook hooiland bij Kamperveen. Als ze in het najaar op stal gingen, hoefden de koeien hier niet door de voordeur. Maar kwamen binnen door de Bregittenstraat [voorheen Heiligestege] en door de grote schuifdeur in de achteringang.

Van melk naar ‘peter-ölie’
Omdat ze haar stadse contacten niet wilde missen en vader inmiddels 64 jaar was, maakten haar ouders geen gebruik van het [gedwongen] vertrek naar Kampereiland. Haar broer vertrekt wel met de have naar een boerderij aan de Nesweg. De rest van het gezin verhuisde naar de IJsseldijk om van daaruit op hun voormalige landerijen uit te kijken. Het door de gemeente opgekochte pand wordt verkocht aan petroleumhandelaar Kanis en Truus trouwt met de Zwollenaar Elbrink en nemen later samen de verfwinkel aan de Dr. Damstraat over.