
Nog even dit… ‘Waar ben je?’
· leestijd 1 minuut AlgemeenNa het overlijden van mijn Ans, met wie ik ruim een halve eeuw het leven soupeerde op de onbekommerde wijze alsof het niet op kon, ontmoette ik Emmy. Een vrouw met nog een levenslustige greep op het leven, hoewel zij, net na een lang huwelijk, net zo te vroeg haar levenspartner had verloren. Daarna pakte ze haar oude ambacht weer op: het vakmatig ontwerpen en aanleggen van tuinen in alle soorten en maten, in de hoop daarmee de geknakte levensdraad van haar bestaan weer enigszins bruikbaar vorm te geven. Daar we bij de afvaart van ons relatiescheepje beiden al in de zeventig waren, roeiden we nu niet bepaald over een zee van tijd, dus plukten we met vakanties, beladen met bezienswaardigheden en speciale pantoffel-seniorreizen, slechts de rijpe vruchten van het leven, nu het nog kon.
Maar de tijd is een strenge tollenaar en inmiddels zijn Emmy en ik alweer ruim anderhalf jaar uit elkaar. Met pijn en weemoed. Want sinds die tijd woont Emmy in een eindstation dat bemoedigend ‘De Hofkamp’ heet. Een verzorgingshuis met merkbaar hoofdzakelijk uit roeping opgebouwde verzorgsters, in haar vroegere woonplaats Almelo. Een tehuis voor ouderen van wie de geest druk doende is de sporen van vroeger uit te wissen. Emmy’s kinderen wonen niet ver van de instelling vandaan, zodat zij met korte ‘er-toe-doen-bezoekjes’ een extra oogje in het zeil kunnen houden.
‘De Hofkamp’ is omgeven door veel rust biedend groen, maar wie van de bewoners daar na het avondeten nog even met een wandelingetje daarvan wil genieten, moet wel over de code van de buitendeur beschikken. Hoewel de leiding van het tehuis mild van hart is, waakt zij over die sleutel als over de heilige graal. Om het contact met mijn partner-vriendin niet volledig te verliezen, bezoek ik haar maandelijks. We gaan dan samen poffertjes eten in het nabijgelegen ‘Natuurhus’. Een van alle overdaad ontdane eetgelegenheid in een parkje, op korte afstand van het tehuis, waar men, gezeten op harde houten stoeltjes, uit grondbeginsel vooral gezond voedsel biedt. Wel bellen Emmy en ik dagelijks met elkaar. De telefoon in haar gerieflijk ingerichte appartement beschikt over drie speciaal aangebrachte toetsen. Daarop staan in grote, duidelijk leesbare letters de namen van personen aangegeven die haar het meest dierbaar zijn en om die reden volhardend in haar geheugen verankerd liggen. Mijn naam als laatste, Emmy’s meest favoriete. Ze vindt die toets moeiteloos, zodat twee keer daags bij mij thuis in Kampen de Almelo-telefoon rinkelt en ik haar stem hoor, die verontrust roept: ‘Waar ben je?’ Als ik uitleg: ‘In Kampen natuurlijk’, komt geen weerwoord van herkenning.
Soms barst ze blij verrast in lachen uit als ik er in die op afstand gepleegde rommelgesprekjes in slaag een oud voorval weer wat op te poetsen. Zodanig dat die mini-beelden even weer herkenbaar bij haar oplichten. Dat voelt een beetje als het helen van voorbije tijden. Maar al snel herovert de harteloze Alzheimer wreed zijn stukje verloren gewaand terrein en roept ze verontrust: ‘Weet jij soms waar mijn autosleutels zijn?’ Loos alarm natuurlijk, daar ze al lange tijd uitsluitend per rollator mobiel is. Maar onlangs klonk haar stem bij zo’n dagelijks Hofkamp-telefoontje verdrietig, op een wijze die zich niet eerder had voorgedaan. Zich opeens bewust wordend van de bedrukte situatie waarin ze verkeert, daarbij al zo lang verblijvend waar ze liever niet is, liet ze me verongelijkt, doch dapper weten: ‘Ik kom loever maar naar jou toe.’ Even is het stil. Dan, met een piepstem: ‘Want ik ken hier niemand.’
Henk de Koning



























