
Onderzoekers meten biodiversiteit Reevediep via DNA-sporen in de lucht
· leestijd 2 minuten AlgemeenKAMPEN - Vier onderzoeksorganisaties testen deze zomer in het Reevediep een innovatieve methode om planten- en diersoorten in kaart te brengen: het opvangen en analyseren van DNA-sporen uit de lucht.
Witteveen+Bos, EcoPulse, TNO en Datura voeren de pilot uit in het Reevediep, een nieuwe waterverbinding bij Kampen tussen de IJssel en het Drontermeer. De onderzoekers willen aantonen dat zogenoemd environmental DNA, kortweg eDNA, een snellere en minder verstorende manier is om biodiversiteit te meten dan traditioneel veldwerk.
Wat is eDNA?
Elk levend wezen laat voortdurend microscopische DNA-sporen achter: huidcellen, haren, uitwerpselen, speeksel, slijm of stuifmeel. Door die sporen te verzamelen uit lucht, water en bodem, kunnen onderzoekers vaststellen welke soorten er in een gebied voorkomen. eDNA-onderzoek via water- en bodemmonsters gebeurt al vaker, maar de inzet van luchtbemonstering op deze schaal is nieuw.
Minder veldwerk, meer inzicht
Traditioneel brengen ecologen de biodiversiteit in kaart door planten en dieren zelf in het veld te inventariseren. Dat kost veel tijd, is arbeidsintensief en kan de natuur verstoren. De eDNA-methode vervangt dat veldwerk niet, maar is een waardevolle aanvulling. Bovendien wordt de methode steeds geavanceerder en betaalbaarder.
"Voor de nodige verbetering van de biodiversiteit is het nodig om de biodiversiteit als geheel beter meetbaar te maken. Toen ik hoorde van de laatste ontwikkelingen op het gebied van het meten van lucht-eDNA, wilde ik deze zo snel mogelijk testen op praktijkschaal", zegt Schep, initiatiefnemer van de pilot namens Witteveen+Bos.
Hoe verloopt het onderzoek?
EcoPulse rijdt met een mobiel bemonsteringssysteem vooraf bepaalde routes, en bemonstert daarmee in korte tijd duizenden kubieke meters lucht over een groot gebied. TNO plaatst een vast meetpunt bij de Scheeresluis om het verloop over de tijd te volgen. De twee methoden zijn bewust complementair. Daarnaast verzamelen de onderzoekers water- en bodemmonsters. Het laboratorium van Datura analyseert vervolgens al het opgevangen eDNA.
Het Reevediep wordt vergeleken met een naburige polder die lijkt op hoe het gebied er vroeger uitzag. "We bemonsteren daarvoor de lucht in de omgeving", legt Schep uit. Het is onder meer interessant om te zien of er DNA-sporen opduiken van de waterspitsmuis of de grote modderkruiper. Voor beide soorten zijn in het Reevediep speciale leefgebieden ingericht.
Van polder naar wetland
Het Reevediep is aangelegd in het kader van het programma Ruimte voor de Rivier, in opdracht van Rijkswaterstaat en de provincie Overijssel. De voormalige polder ontwikkelde zich tot een waterrijk gebied dat vogelspotters uit het hele land trekt. Soorten als krooneend, kemphaan, reuzenstern, roerdomp en zeearend zijn er al te bewonderen.
De provincie Overijssel volgt de pilot met belangstelling. "Jarenlang hebben we gewerkt aan het project en we hebben de metamorfose van een polder en weidevogelgebied naar een wetland van dichtbij meegemaakt", zegt Otten, strategisch adviseur natuur bij de provincie. "We hebben de ontwikkeling van planten, dieren en leefgebieden altijd gevolgd. Maar we hebben nooit goed in beeld gebracht hoe de biodiversiteit als geheel is veranderd."
Blik op de toekomst
Otten ziet ook bredere mogelijkheden voor de methode. "We zien dat de opgaven voor monitoring van de natuur fors toenemen. Niet zozeer in de natuurgebieden maar vooral daarbuiten, zoals in het agrarisch en stedelijk gebied. We zullen de ontwikkelingen op het gebied van eDNA-onderzoek dan ook met belangstelling blijven volgen." En dan voegt hij toe: "Maar stiekem hoop ik natuurlijk ook op nieuwe soorten in het Reevediep die we nog niet kennen!"
























